Pica en geofagie, deel 1

Pica, Geophagy, and Rock Art: Ingestion of rock powder and clay by humans and its implications for the production of some rock art on a global basis. Kevin L. Callahan, A Paper read at the Philadelphia SAA Conference on April 8, 2000.

Pica is de wens van bepaalde mensen, meestal zwangere vrouwen, jonge mensen en patiŽnten met een chronische nierziekte om oneetbare stoffen te eten zoals verpoederde rost/steen, klei, kalk, vuil en ander materiaal.

Het fenomeen komt ook veel voor bij dieren. De definitie van geofagie is: "een gewoonte die aangetroffen wordt op het platteland of bij pre-industriŽle gemeenschappen waarbij aarde (zoals klei) gegeten wordt om een tekort aan mineralen aan te vullen". (Merriam Webster 1999:488)




In 1999 werd in Jamaica een studie gedaan naar de eetgewoonten van plattelandsvrouwen tijdens hun zwangerschap. 15 van de 38 zwangere vrouwen die meededen, meldden dat ze trek hadden in bepaalde dingen.(Walker 1999)

Ze hadden geen zin in augurken of ijs, maar in steen. De voornaamste redenen voor hun trek: "Ik had zin om het te eten" en "Ik vond het lekker." (Walker 1999)

Dit goed gedocumenteerde medische en culturele fenomeen staat volgens de ethnohistorische bronnen in direct verband met de globale productie van kunst op rotsen, vooral de productie van bepaalde halfronde uithollingen of cupules, waar de archeologische literatuur soms naar verwijst als "pits".

Het zijn halfronde uitkervingen, meestal 2 inch breed en 5/8 inch diep, die in rotsen gemaakt worden door met een steenhamer 5 tot 15 minuten lang op dezelfde plek te slaan.

Dit is voldoende voor de productie van een dosering, ongeveer een eetlepel.

Uit experimenten is gebleken dat het veel gemakkelijker te doen is bij een zwaar en solide rotsblok of rotswand dan bij een stuk rots ter grootte van een kleine steen.

Deze uithollingen zijn over de gehele wereld te vinden op bijna elk continent en gaan in de tijd terug van heden tot in het Opper Paleolithische tijdperk. (Parkman 1995)

Op het einde van de negentiende eeuw meldde Charles Rau (1881) dat er in Duitsland en Zweden duidelijke "uithollingen" en "groeves" of "voren" gekerfd waren aan de buitenkant van stenen muren en de gepleisterde mortel van veel kerken, meestal aan de zuidkant bij de ingangen.

Rau vroeg zich af wat de relatie was tussen de Europese "kerkelijke structuren" en de uitkervingen in de rotsen. Hij zag het als het vervolg op een boerengewoonte en dat is heel goed mogelijk.

Toch zou kennis omtrent het medische fenomeen pica en geofagie bij mensen een ander perspectief kunnen ondersteunen van dit ongebruikelijke en dwangmatige gedrag aan de zijkanten van religieuze gebouwen in Duitsland en Zweden.

Charles Rau schreef: "Het blijkt dat men helende eigenschappen toekende aan de uithollingen in kerken in Duitsland. Mensen met koorts bliezen als het ware de ziekte in de openingen.

Volgens andere bronnen aten de patiŽnten het poeder dat verkregen werd door verdere uitholling, op". Rau 1881:88

Rau beschreef ook twee stenen in Frankrijk, die vastgehecht zaten aan de kerken en zich in feite in de kerken bevonden. Mensen maakten er gaten in en aten het poeder om koorts en impotentie te genezen.

Hij vond ook een plek in Zwitserland waar "ziekelijke mensen gaten maken in de stenen van een bepaalde kapel en het verkregen stof opeten". (Rau 1881:88-89)

Hij vermeldde ook een inwoner van Greifswald die vertelde "dat de uithollingen tot vandaag de dag nog gebruikt worden om koorts te verdrijven". (Rau 1881:89)

Er is minstens een Afrikaanse studie waarin sprake is van hetzelfde gedrag. Muren van huizen waren in feite de eerste plaats waar mensen die pica beoefenen, naar op zoek gingen.

Jannie Loubser vertelde me dat ze in NamibiŽ meerdere rijen cupules heeft gezien in de muren van wachthuisjes en, als de fotoís te vertrouwen zijn, zitten ze zelfs in de Sfinx van Giza.

Studies bij dieren door Mitchell et al. in 1976 naar de etiologie van geofagie toonden aan dat het fenomeen "een reactie kan zijn om de uitwerking van toxinen die het lichaam zijn binnengekomen, te verzachten".(Simon 1998:654)

In een soortgelijke studie in 1977 meldde Burchfield et al. "dat er studies gedaan zijn bij ratten die aangeven dat de ratten meer behoefte hadden aan geofagische activiteiten wanneer ze een acute ziekte toegediend kregen".

Ze kwamen tot de conclusie dat geofagie kan optreden als een reactie op elkeÖ (vorm van stress). De auteurs merkten op, dat "geofagie vooral optrad als reactie op de inductie van artritis en als een reactie op acute problemen met de spijsvertering." (Burchfield et al 1976)

In de ethnohistorische informatie van Noord Amerika wordt een direct verband gelegd tussen uithollingen in rotsen en paren die hun vruchtbaarheid willen verbeteren. Rond de tijd dat de geboorte plaatsvindt, worden er ook uithollingen gemaakt. (Parkman 1995: 8-9)

Breck Parkman die in California werkt, schrijft dat in de Pomo gemeenschap het poeder dat geproduceerd werd tijdens het uitkerven, geliefd was bij kinderloze paren die graag een kind wilden en anders geconfronteerd zouden worden met onvruchtbaarheid en kinderloosheid. (Heizer 1953; Merriam 1955; Parkman 1995:8)

In de ethnografie van Pomo en Shasta worden de uithollingen soms gelijk gesteld aan vruchtbaarheid en men verwijst ernaar als "baby rotsen".

Volgens Merriam werd het poeder ingenomen door vrouwen, omdat ze geloofden dat ze er vruchtbaarder door werden. (Merriam 1955)

Men dacht dat door de productie van cuppules de geest van de onderwereld, die in de rotsen huisde, vrijkwam. Het maken van de uithollingen werd ook gezien als iets, dat goede zaken bracht zoals wild en regen. (Loubser, in press; Merriam 1955)

De Pomo in het noorden van California gebruikten ook vuil in hun eten. Dit mengden zij met gemalen eikels om het zuur te neutraliseren. (Rosenberg 2000)