Hele dieren

Kleinere prooidieren zoals konijn, kip, kalkoen, eend, kwartel, rat, duif enz. kunnen in zijn geheel gevoerd worden als maaltijd. Met huid, haar en ingewanden. Niet alle honden eten de ingewanden.

Grotere dieren zoals jonge schapen, geiten, kalveren enz. kunnen in hapklare stukken gekapt worden en met huid en haar, maar zonder ingewanden, ingevroren worden.

Haren, veren, vacht, pels en dergelijke zijn belangrijk bij de vertering van harde botten. Ze fungeren als verpakkingsmateriaal van onverteerde stukken bot. Harde botten worden in grotere stukken ingeslikt en kunnen problemen veroorzaken bij dieren, die nog niet gewend zijn om botten te verteren.

Als u een heel dier voert, voert u alles van het dier, inclusief vel en vacht, kop, organen, poten, ingewanden, darmen, uiers enz.

Ian Billinghurst in Give Your Dog a Bone, 1993: "Een heel konijn is natuurlijke, complete voeding voor de hond. Alles wat hij nodig heeft, ook essentiŽle vetzuren, zit er in. Wij geven hele konijnen aan onze honden, met en zonder vacht. Onze honden zijn vooral dol op de koppen, die een goede voedingswaarde hebben door de ogen en de hersenen."

Samenstelling van hele dieren

De samenstelling van schapen volgens Mogens Eliasen

15% botten (inclusief hoeven en schedel)

20% vet

10% huid en pezen

35% spiervlees

15% organen, inclusief longen en strot

5% inhoud van maag en darmen

Deze percentages liggen in de buurt van 1/3 botten en vet, 1/3 vlees, 1/3 andere voedingstoffen: de samenstelling van de voeding volgens Mogens Eliasen.

Bron: Mogens Eliasen - Natuurlijke voeding voor honden.

Koopt u dit eboek rechtstreeks via bovenstaande link, dan helpt u ons om de kosten van deze website te dekken.

Wat is een karkas

Een karkas is niet hetzelfde als een heel dier.

Een karkas komt overeen met wat volgens de EU richtlijnen gedefinieerd wordt als slachtgewicht. Hierbij de definities, de een wat nauwkeuriger dan de andere.


Het karkas is wat er van een geslacht dier overblijft:

na het uitbloeden,

villen en

verwijderen van de ingewanden, de kop, het onderste stuk van de poten en pens, hart, longen, lever en slokdarm.

Bron: Handboek voor de slager


Het slachtgewicht is het koud gewicht van het lichaam van het geslachte dier na:

het uitbloeden,

het villen en

het ontdoen van de ingewanden en na verwijdering van de kop (bij de bovenste halswervel (atlaswervel), de poten (bij het voorknie- resp. spronggewricht), de staart (tussen de zesde en de zevende staartwervel), de uier en de geslachtsorganen.

Nieren en niervet worden niet verwijderd en zijn onderdeel van het uitgeslachte karkas.

Bron: europa.eu.int

Samenstelling en indeling van botten

Bron: Drs. Robert van der Molen - Elementaire kynologische kennis. ISBN 90 6248 871 4

Botten dienen om het lichaam vorm en steun te geven en om belangrijke organen (hersenen, hart en longen, ruggenmerg) te beschermen.

Om het bot zit het beenvlies, van waaruit bloedvaten en zenuwen het been binnendringen.

Als we een bot van binnen bekijken, kunnen we onderscheid maken tussen massief bot en sponsachtig bot. Massief bot bestaat alleen uit botcellen en celtussenstof.

In sponsachtig bot liggen de botcellen in dunne plaatsje gerangschikt, die elkaar kruisen. Hierdoor ontstaan holtes, die opgevuld zijn met rood beenmerg, waarin de aanmaak van bloedcellen plaatsvindt.

Botweefsel bestaat uit beencellen en heel veel celtussenstof, die door de beencellen wordt geproduceerd. Celtussenstof bestaat uit eiwitvezels, vooral collagene en elastine vezels, waartegen hydroxy-apatiet is afgezet.

Belangrijke bestanddelen hiervan zijn kalk en fosfor. Bij zoogdieren bestaat het botweefsel voor 60-70 procent uit kalk en fosfor, bij vogels is dat 80-85 procent. In de celtussenstof zitten ook andere zouten zoals natrium, magnesium, kalium en fluor.

Er zijn vier soorten botten:

1. Holle beenderen of pijpbeenderen. Massief bot met een centrale holte die opgevuld is met beenmerg. Bij opgroeiende dieren is het merg rood. Bij volgroeide dieren is het geel. Het is dan een vetreserve, die gebruikt wordt in voedselarme periodes. Dit zijn de botten van de voorpoten en achterpoten.

2. Platte beenderen bestaan bijna helemaal uit sponsachtig been met rood beenmerg. Ribben, borstbeen, schouderblad, bekken, wervels.

3. Korte beenderen met alleen massief botweefsel. Kootbeentjes en hoefbeentjes.

4. Schedelbeenderen met bijna alleen beenplaatjes, waartussen zich lege holtes bevinden.